|
|
|
De Slavische literatuur kent een rijke erfenis
aan sprookjes. Zo heeft de Russische folklorist Aleksander Afanasjev
(1826-1871) niet minder dan 600 Russische volkssprookjes gepubliceerd die
ten dele ook in het Nederlands zijn vertaald. Misschien zijn Tsjechische
sprookjes bij ons minder bekend. Daarom was het een goede gedachte van
uitgeverij Elmar (Rijswijk) een bundel van 16 Tsjechische sprookjes uit te
geven, verzameld in een smaakvol, kleurig bandje. De dichte bossen van
Bohemen vormden een ideale achtergrond voor verhalen over elfen, feeën,
heksen en andere bovennatuurlijke wezens. Maar ook historische figuren,
representanten van het feodale Bohemen, zoals ridders, graven en hertogen
ontbreken in deze oudste literatuur niet.
|
|
|
Tijdens de romantiek beleefde het sprookje een
ongekende opbloei, ook al was hier vaak sprake van zgn.
"cultuursprookjes", poëtische verhalen, waarin veelal een irreële
droomsfeer overheerste. Bekend werden de sprookjes van de Gebroeders Grimm
en later van Andersen. De Tsjechische sprookjes zijn pregnant, vaak
moralistisch en hebben, afhankelijk van de streek waar zij zijn ontstaan
(bosgebied, bergen), een eigen couleur locale. De oude sprookjes en
liederen die vaak kernachtige spreekwoorden bevatten, werden door F.L. Čelakovský
(1799-1852) verzameld onder de titel "Ohlas písní českých"
(Echo der Tsjechische liederen) nadat hij reeds eerder Russische liederen
en sprookjes had verzameld in zijn "Ohlas písní ruských".
Zijn leermeesters op het gebied van sprookjes en volkspoëzie waren de
Duitsers Herder en Goethe. Zijn epigrammen "Kvítí" (Bloemen)
verraden de invloed van Lessing. Hoewel Duitse invloeden vaak aanwezig
zijn, blijft het oorspronkelijk Tsjechisch karakter van veel verhalen
overwegen.
|
|
|
Een groot verzamelaar van volkspoëzie en
spreekwoorden was de archivaris van Praag, Karel Jaromír Erben
(1811-1870), die beroemd werd door zijn "Kytice z pověstí národních"
(Bloemlezing uit volkssagen), een meesterwerk der Tsjechische Romantiek.
Uit het werk van voornoemde Tsjechische schrijvers moge voldoende blijken,
dat - zoals velen nog steeds menen!- sprookjes en sagen meer zijn dan
alleen kinderlectuur. |
|
| Bekender nog dan Erben is Božena Němcová
(1820-1862), de befaamde schrijfster van "Babička" (de
grootmoeder), een geďdealiseerd beeld van het leven op het Tsjechische
platteland met een sterk pleidooi voor sociale gerechtigheid. In de
verschillende streken, waar zij vertoefde, verzamelde zij oude
volksverhalen, sprookjes en sagen. Een apart genre vormen de sagen,
verhalen met een historische kern waarin bekende figuren optreden zoals
Alexander de Grote, Karel de Grote, Frederik Barbarossa, Koning Arthur en
in Tsjechië bijv. Libuše, aan wie Smetana zijn beroemde opera wijdde. |
|
|
|