|
|
|
Tot de grote politieke figuren die zich, in het
'labyrint der wereld' zoals Comenius zegt1), ondanks ideologische druk hun
geestelijke zelfstandigheid wisten te behouden, behoort ongetwijfeld Václav
Havel. Hij spreekt zich hiervoor uit in twee boeken: "Poging om in de
waarheid te leven. Essay over Charta 77" (1980) en "Brieven aan
Olga. Overdenkingen uit de gevangenis" (1986), welk laatste werk
filosofisch dieper graaft en onder meer handelt over levenszin, dood en
leven, verantwoordelijkheid en identiteit. |
|
Centraal staat ook hier de vraag hoe de mens
zijn innerlijke vrijheid en integriteit kan bewaren onder en onvrij
politiek systeem. In zijn "Poging om in vrijheid te leven" zegt
Havel, dat elk mens waakzaam moet zijn: "Hij moet met volle inzet
weerstand bieden tegen de irrationele werking die uitgaat van de anonieme,
onpersoonlijke en onmenselijke macht van ideologieën, systemen,
apparaten, bureaucratieën (de vervreemdende druk ervan), men moet meer
dan in alle abstracte speculaties geloven in de stem van het
geweten". Havel voelt zich verwant met filosofen als Kierkegaard en
Kafka, die eveneens de nadruk leggen op de menselijke
verantwoordelijkheid. |
|
|
De "Brieven aan Olga" (zij is helaas
enige tijd geleden overleden) zijn een indrukwekkende demonstratie van de
geestelijke onafhankelijkheid van een niet door haar maar door humaniteit
en tolerantie bezielde gevangene. Binnen zijn fysieke en geestelijke
beperkingen weet Havel de ruimte te scheppen, die een maximale bezinning
op de existeniteële grenssituatie mogelijk maakt. In brief 62 stelt hij:
"Centraal in mijn beschouwingen over de verschillende menselijke
aangelegenheden staat steeds het probleem van de menselijke identiteit, de
aantasting van de eenheid, die de mens op zichzelf vormt, het verlies van
alles wat het menselijk bestaan een zinvolle ordening, continuiteit een
eenduidige contour geeft". Hij introduceerde het begrip
"absolute horizon", waardoor wij onze relativiteit als
relativiteit ervaren en onze verantwoordelijkheid op ons nemen:
"Zoals er geen materie zonder ruimte en geen ruimte zonder een
horizon van onvergankelijkheid ten opzichte waarvan zij zich ontvouwt en
waar zij zich voortdurend - al dan niet bewust - op richt".
Elders licht Havel dit religieuze besef nog
nader toe, nl. in brief 76: "Naast dit allesomvattende wonder van het
zijn, is er het wonder van de menselijke geest, van het menselijk bestaan
... als bestandeel van het wonder van het algemeen zijn .... En zo klinkt
in de oneindige stilte van de alom aanwezige zijnsorde de stem door van
die andere orde, de orde van de menselijke vrijheid, het menselijke leven
en de menselijke geest: de fijn gerstructureerde wereld van het zinvolle
en hoopvolle menselijk leven, die nieuwe perspeciteven van vrijheid opent
en de mens verheft tot een dieper ervaren van het zijn: de talrijke,
opmerkelijke, geestelijke (mystieke, religieuze, wetenschappelijke) en
morele systeem; de speciale kunstzinnige wijze waarop de menselijke
zijnsorde onder invloed van de mythologie (vroeger) en van de artistieke
werken (vandaag) neiuwe vormen aanneemt en tegelijkertijd een nieuwe
betekenis krijgt. Kortom, datgene waardoor de mens tot mens wordt
....". |
|
|
Evenals Berdgajev, "de filosoof van de
vrijheid" 2), concnludeert Havel: "Scheppen hangt samen met
vrijheid? (brief 56). Zoals de Russische filosoof verdedigt de Tsjech een
vorm van antimaterialistisch personalisme, waar hij zegt: : "De
persoonlijkheid van de ander, respectievelijk de menselijke existentie
reikt dus wel verder dan de fysieke existentie van zijn 'drager' en is
daarmee niet identiek (ook al ligt daarin natuurlijk wel haar oorsprong of
zwaartepunt); wij ervaren de menselijke existentie als sterk aanwezig, ook
wanneer wij helemaal niet met de 'drager' ervan in contact zijn ..... Onze
verhouding tot hem is op geen enkele wijze direct afhankelijk van zijn
fysieke aanwezigheid, jak wij kunnen zijn persoonlijkheid zelfs zeer
intensief ervaren en beleven als wij hem persoonlijk helemaal niet kennen,
zelfs als wij hem nooit hebben ontmoet .... ". Misschien heeft Havel
hier gedacht aan de grote figuur van Masaryk 3), die hij ook later als
president als voorbeeld heeft genomen.
In de schaduw van de gevangenismuren werd
Havel teruggeworpen op de essentie van zijn bestaan en van de vrijheid,
die hij enkele jaren moest ontberen. Hij werd driemaal gearresteerd.
Hierbij lichtte bij hem ook het besef op, dat het leven niet zinloos is
geweest, of zoals hij in één van zijn brieven zegt: "Zoals het zijn
een geheime orde heeft en deze orde ergens toe leidt, ons iets laat zien
en dus zin heeft, zo is het gevoel dat ook ons leven ergens toe leidt en
iets betekent, voldoende. Het gevoel dat ons bestaan - vanuit kosmisch
oogpunt - niet over het hoofd wordt gezien of vergeten, dat ervan wordt
'geweten', dat het ergens naar waarde wordt geschat en dat er ergens zin
aan wordt verleendt. Wat is hoop of geloof anders dan een 'zich melden'
bij de absolute horizon, als de enige echte achtergrond die ons garantie
biedt dat niet alles definitief verdwijnt en dat dus uiteindelijk niets
overbodig is?" (brief 94). |
|
Elders heeft Havel het probleem van de zin van
ons bestaan opnieuw aan de orde gesteld. In een bijdrage in NRC
Handelsblad (30 sept. 1997) betoogt hij, dat wij individuën het recht
hebben om over onze eigen toekomst te beslissen. Tsjernobyl en Jalta
houden een duidelijke waarschuwing in, dat ook aan de macht van de zgn.
grote mogendheden grenzen zijn gesteld. Václav Havel besluit zijn betoog
dan als volgt:
"Geconfronteerd met de waarschuwingen
van Tsjernobyl en Jalta moeten wij ons nu richten op dat wat verder
reikt dan de horizon van het rationele of wetenschappleijk denken en de
grenzen van de pretentieuze waan van Tsjernobyls ingenieurs en Jalta's
geopolitieke strategen. Als individuen en als gemeenschap moeten we diep
in onze geschiedenis, in onze ziel en onze ervaring delven naar het
kwijnende respect voor de mysterieuze orde van het universum, naar het
unieke in de mens, naar de identiteit van een cultuur en gemeenschap -
om weer te komen tot de nederige aanvaarding van het feit dat we slechts
onderdeeltjes en geen meesters van het universum zijn."
|
|
|
1) Vgl. "Het labyrinth der wereld en het
paradijs der harten", Ned. vertaling 1926.
2) Vgl. o.m. zijn "Slavernij en
vrijheid" (Amsterdam, 1947)
3) Over Masaryk vgl. mijn "Oost-Europa
in de spiegel. Literaire en cultuurhistorische verkenningen". Kamen
1991 |
|
|
|