|
|
|
In het verleden heb ik verschillende figuren
behandeld, die beschouwd moeten worden als vertegenwoordigers van wat de
Tsjechen noemen de "literatura Českého národního obrození"
oftewel de Tsjechische nationale wedergeboorte. Ik denk aan Palacký, Havlícek,
Jungmann e.a.. Uiteraard moet hiertoe ook Josef Dobrovksý (1753-1829)
worden gerekend, de grondlegger van de Slavische filologie. Na de
opheffing van de Jezuďten orde, waartoe hij behoorde, in de Oostenrijkse
landen, studeerde Dobrovský in Praag theologie en filosofie en werd
daarna huisleraar bij graaf Nostitz, wiens paleis nog altijd prijkt in de
Tsjechische hoofdstad. Daarna trad Dobrovský in 1786 op als rector van
het priesterseminarie van Olomouc maar werd gedwongen na de sluiting
hiervan zich weer in Praag vestigen. Zijn grote bijdrage tot de nationale
en culturele wedergeboorte van Bohemen vormde de publicatie van zijn
"Geschichte der böhmischen Sprache und Literatur". De eerste
uitgave liep niet verder dan het jaar 1526 maar later volgden nog delen
die ook de perioden toto Dobrovský's eigen tijd behandelden. Dobrovský
voerde bovendien een hervorming van de Tsjechische orthografie in, waartoe
Jan Hus een eerste aanzet had gegeven.
|
|
|
Zijn belangstelling voor volkskunde bewees hij
door de oprichting van de tijdschriften "Slavín" (1806) en
"Slovanka" (1824). Hoogtepunt van zijn filologische arbeid
vormde zijn grammatica "Institutiones linguae slavicae dialecti
veteris" (1822), waardoor hij bekendheid kreeg ver over de grenzen
van zijn vaderland. Al in 1795 publiceerde Dobrovský zijn
"Litterarisches Nachricht von einer Reise nach Sweden und
Russland" waar hij zich met Slavische oudheden en handschriften had
beziggehouden. Dobrovský bestudeerde ook uitvoerig andere Slavische
talen. Opmerkelijk is, dat hij zelf alleen in het Duits en Latijn schreef.
Zijn filologische studie leidde tot opmerkelijke resultaten. Al in 1778
kon hij door een kritische studie aantonen, dat een aan de apostel Marcus
toegeschreven fragment van het Evangelie op een vervalsing berustte. Ook
twijfelde hij (evenals Masaryk!) aan de echtheid van het handschrift van
Grünberg (Zelená Hora) waarvan de Tsjechische nationalisten
pretendeerden dat het een origineel middeleeuws handschrift uit de 10de
eeuw was, gewijd aan de legendarische vorstin Libuše. Deze handschriften
zouden bewijzen dat het Tsjechisch al vroeg over een belangrijke
literatuur beschikte. Zijn "Ausführliches Lehrgebäude der böhmischen
Sprache" (1809) was van even groot belang. Ook publiceerde hij een
"Deutsch-Böhmisches Wörerbuch". Aan deze grote Tsjechische
geleerde en patriot herinnert in het befaamde Nostitzpaleis aan de Maltézské
náměstí, waar ook de Nederlandse ambassade is gevestigd, nog de
Dobrovský-Bibliotheek, die in 1953 zijn naam kreeg. Hier staat ook zijn
borstbeeld.
|
|
|
In 1823 ontmoette Dobrovský Goethe in
Marienabad. Hij gaf geleerden als Josef Jungmann, František Palacký een
sterke stimulans waardoor deze in zijn voetspoor een belagrijke bijdrage
zouden leveren tot de nationale wedergeboorte.
|
|
|
Nog een enkele opmerking over Dobrovský's
grote waardering voor de 16de eeuw, die hij beschouwde als het
"gouden tijdperk". Met het jaar 1620 (de slag op de Witte Berg)
begon volgens hem het verval van Bohemen, dat naar zijn mening in zijn
eigen tijd nog aanhield. Zijn grote waardering voor de 16de eeuw berustte
op de betekenis, die hij hechtte aan de literaire werken van die tijd.
Maar vooral zijn overtuiging dat toen de Tsjechische taal zijn hoogtepunt
in zijn ontwikkeling had bereikt liet zich hier gelden. Hierbij verloor
Dobrovský enigszins uit het oog dat de gesproken taal zich sedert de 16de
eeuw, dus twee eeuw lang, ontwikkeld had. De literatuurhistoricus Arne Novák
karakteriseerde de "blauwen rabbé" Dobrovský met enige
overdrijving als "een held van de geest temidden van een leger
pedanten"! Dobrovský, die beschouwd kan worden als de grondlegger
der slavistiek, gaf tezamen met Antonín Píšaly nog een boek "Sbírka
českých přísloví" (Verzameling Tsjechische spreekwoorden, 1804)
uit, waarin oude en nieuwe spreekwoorden waren opgenomen. Van groot belang
was zijn analyse van de Tsjechische dichtkunst. Zijn studie leidde hem tot
de conclusie, dat er slechts één Slavische natie is, dus ook één
Slavische taal, literatuur en cultuur die in verschillende sectoren
(Tsjechisch, Russisch, Pools) onderscheiden moeten worden; een opvatting,
die uiteraard ook bestrijding vond. Deze theorie leidde ook tot conclusie,
dat er in feite maar één Tsjechoslowaakse natie was, een gedachte, die
bij de stichting van de republiek Tsjechoslowakije in 1918 politiek
gestalte kreeg. Het feit, dat de Slowaakse literatuur sedert haar ontstaan
in het begin van de vijftiende eeuw in het Tsjechisch werd geschreven,
ondersteunt niet alleen de these van Dobrovský maar doet bovendien de
vraag rijzen of de splitsing van Tsjechië en Slowakije cultureel gezien
wel noodzakelijk was! Deze werken behoren derhalve zowel tot de
Tsjechische als tot de Slowaakse literatuur. Duidelijk is dat de
taaltheoretische opvattingen van Dobrovský ook nu nog tot
praktisch-politieke consequenties leiden! Evident is, dat de splitsing van
Tsjechië en Slowakije en zuiver politieke en geen culturele beslissing
was.
|
|
|
|