| Jeugdjaren en studententijd
Thomas Masaryk groeide op in behoeftige omstandigheden. Oostenrijkse en Hongaarse adel beheerste
het land van de Slavische Tsjechen en Slowaken. Maar hoewel zijn vader, koetsier in het Moravische
dorpje Hodonín, in feite nog slaaf was, toonde Thomas allerminst een slaafse geest te zijn. Hij
haatte de dienstbaarheid en onderworpenheid. Terecht schreef hij later: "De slaaf huldigt
altijd de methoden van de slavenhouder en wreekt zich waar hij kan ...", hiermede een scherpe
karakteristiek gevend van de psychologie van het ressentiment. Masaryk zelf echter bleef vrij van
gevoelens van ressentiment. Hij zocht allereerst het positieve, opbouwende element in mens en
samenleving en trachtte dit steeds in het licht te stellen en te verwerkelijken, ook waar ongunstige
maatschappelijke en menselijke verhoudingen de overhand hadden. De moeilijkheden in zijn jonge
jaren hebben hem gehard voor de latere strijd. Eerst werkzaam als smidsknecht, later als
huisonderwijzer, slaagde de autodidact er tenslotte in toegang te krijgen tot de Weense
universiteit, waar hij in 1876 doctor in de wijsbegeerte werd op een proefschrift over het
onsterfelijkheidsvraagstuk. In Leipzig leerde hij zijn toekomstige vrouw de Amerikaanse, van Franse
Hugenoten afstammende Charlotte Garrigue kennen. Met het katholicisme brak hij tenslotte definitief
en hij sloot zich, mede onder invloed van zijn vrouw, aan bij de Tsjechische Broeders, de
vrijzinnige protestantse volgelingen van de 15de-eeuwse Tsjechische reformator Hus: "Ik
knoopte bij onze Reformatie aan, omdat zij vóór alles een zedelijke religieuze en niet-theologische
beweging was". De Reformatie gold voor Masaryk als een bevrijdingsproces uit de macht van een
autocratische kerk. Maar deze Reformatie zag hij niet als een verworvenheid, de uitdrukking geeft
aan een statische waarheid. Van Masaryk is de uitspraak afkomstig: "Reformatie betekent een
onophoudelijk hervormen, een steeds volkomener worden - zij betekent vooruitgang". Inmiddels
verscheen van zijn hand een sociologisch geschrift over "De zelfmoord" (1881), waartoe
een jeugdervaring (de zelfmoord van een boerenknecht in zijn dorp) een belangrijke aanleiding had
gevormd. Op zichzelf was het onderwerp van deze studie al opmerkelijk en men verweet hem een
gevaarlijk onderwerp te hebben aangesneden! Maar bovendien was de keuze in zoverre merkwaardig, omdat
de sociologie als wetenschap nog nauwelijks erkenning had gevonden. Eerst na een jaar en vooral
dankzij de invloed van Masaryk leermeester professor Brentano werd het boek door de universiteit
geaccepteerd. In 1882 werd de 32-jarige geleerde buitengewoon hoogleraar in Praag, waar hij niet
alleen de Duitse filosofische stelsel behandelde, maar ook aandacht vroeg voor sociologische
problemen en voor kritische denker als Hume, Kant en Comte, hetgeen hem al gauw de naam bezorgde
een atheist te zijn. |
| Wetenschappelijke en politieke activiteit
De sociale werkelijkheid duldt volgens Masaryk noch een extreem collectivisme, nog een extreem
individualisme Er is een voortdurende wisselwerking tussen individu en collectiviteit. De natie
vormt de grondeenheid van het sociale leven. Iedere internationale orde zal het eigen karakter
van de volken moeten erkennen en respecteren. Aanvankelijk geloofde Masaryk - en vele Tsjechen
met hem - nog, dat de Oostenrijks-Hongaarse monarchie zou kunnen evolueren tot een federatie van
vrije volken. Later zou hij inzien, dat de regering in Wenen in het geheel niet open stond voor
hervormingsideeën. Vanaf het begin van zijn politieke loopbaan stond Masaryk op de bres voor
sociale verheffing van de arbeidersklasse. In zijn boek "De filosofische en sociologische
grondslagen van het marxisme" toonde hij zich evenwel kritisch tegenover de leer van Marx.
Hij meende, dat het marxisme misschien wel het sociale vraagstuk zou kunnen oplossen, maar
overigens op geestelijk gebied de godsdienst niet zou kunnen vervangen. Zijn kritiek kan men
samenvatten in deze kernachtige uitspraak: "Goed, iedereen zal zijn honger kunnen stillen,
maar dan ...?" De jonge hoogleraar trad op als de verdediger van het algemeen kiesrecht en
was een bekend spreker op arbeidersvergaderingen, waar hij pleitte voor de achturige werkdag,
sociale verzekeringen en voor democratische politieke verhoudingen en gelijkberechtiging van
man en vrouw. Ook steunde hij het eerste arbeidersblad "Právo lidu" (Volksrecht) en
hielp bij de oprichting van een arbeidersacademie welke de opleiding van politici, journalisten
en onderwijzers ter hand nam. Het waren jaren van strijd, strijd tegen de Oostenrijkse bureaucratie,
tegen mensonwaardige toestanden, maar ook tegen fanatici in eigen kring. Tsjechische nationalisten
hadden indertijd (1817) veel ophef gemaakt van de "vondst" van Middeleeuwse Tsjechische
manuscripten, die zoden moeten aantonen, dat de Tsjechen een Middeleeuwse literatuur bezaten, die
gelijkwaardig was aan de Duitse. Masaryk had echter de moed openlijk aan te tonen, dat deze
"patriotten" op zijn hals haalde. Een groot Praags blad noemde hem een "schandelijke
verrader". Hij echter meende, dat de nationale eer slechts gebaat was met de waarheid. Nog
heviger campagne werd tegen hem gevoerd, toen hij het waagde een arme jood, Hilsner genaamd, te
verdedigen, die verdacht werd van rituele moord op een meisje. Antisemieten beschuldigden hem ervan
omgekocht te zijn door Rotschild. Zelfs zijn vader hechte geloof aan deze beschuldiging! Maar
Masaryk streed de strijd voor hetgeen hij rechtvaardig achtte tot het bittere eind en met succes!
Gekozen als Tsjechische afgevaardigde in de Weense Rijksraad, spaarde hij hof, adel, kerk en
bureaucratie (de "poel", zoals hij die noemde) zijn kritiek niet: "De diplomatie
heeft altijd nog de illusie, dat zij geschiedenis maakt ... In het buitenland maken zij op mij
de indruk van Noordpoolvaarders, die op een ijsschots staan en zich in zee laten drijven. Dat is
aristocratische voornaamheid ... Ik geloof niet meer in de verouderde kunst der diplomatie".
Hij verdedigde de rechten van de Slavische volken, de Tsjechen, de Kroaten end e Bosniërs en
ontmaskerde de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Aehrenthal, die op grond van valse
documenten de annexatie van Bosnië en Herzegowina (1908) trachtte te rechtvaardigen en bovendien
53 onschuldige Kroaten wegens zogenaamd hoogverraad in de kerker had laten werpen (het
Agramproces, 1909). Hij vroeg de autonomie voor Tsjechen, Kroaten en Bosniërs. Eerst de
wereldoorlog zou de idealen van Masaryk in vervulling doen gaan. In 1914 kwam hij openlijk in
verzet tegen Oostenrijk en had in Nederland een eerste contact met de Engelse Balkanspecialist
Seton Watson. Hier zal hij zich herinnerd hebben hoe de grote Comenius in de zeventiende eeuw
in Nederland als balling asiel had gezocht om daar de Tsjechische zaak te bepleiten bij de vijanden
van de Habsburgers. Het is begrijpelijk, dat Masaryk vooral bij de geallieerden steun hoopte te
vinden voor de gerechtvaardigde nationale verlangens van Tsjechen en Slowaken. Er werd een
anti-Oostenrijks Tsjechoslowaaks legioen in de geallieerde landen opgericht. In Rusland was juist
een legertje van 50.000 man gevormd uit Tsjechische krijgsgevangenen en overlopers toen de
Russische revolutie uitbrak. Masaryk zag maar één weg: via Siberië de geallieerden trachten te
bereiken. Hij liet het Tsjechische legioen van 50.000 man dwars door het in oorlogstoestand
verkerende Siberië naar Wladiwostok trekken. In een boodschap van Lloyd George aan Masaryk
schreef deze: "The story of the adventures and triumph of this small army is indeed one
of the greatest epics of our history". Zelf ging hij met een Rode-Krustrein vooruit en
schreef onderweg zijn boek "Het nieuwe Europa", waarin hij de Oostenrijkse monarchie
schetste als een corrupt Middeleeuws relict en tevens pleitte voor een zelfstandig Tsjechoslowakije,
Polen en Joegoslavië, een wens, die na de oorlog mede dankzij Masaryks invloed bij president
Wilson en in het geallieerde kamp in vervulling ging. Met de vrede kwam de nieuwe staat
Tsjechoslowakije tot stand. Vooral dankzij het streven van Masaryk werden ook Slowakije en
Roethenië (de Karpatische Oekraine) bij de nieuwe staat gevoegd. Oorspronkelijk wilden de
Tsjechen alleen het oude koninkrijk Bohemen als staat herstellen. Masaryk vond bij deze politiek
veel steun van de Slowaak Štefaník, die helaas in 1919 met zijn vliegtuig verongelukte. Masaryk
werd spoedig verrast door het bericht, dat de nieuwe staat hem tot president wilde kiezen. |
| Politieke, wijsgerige en religieuze gedachten
Overzien wij Masaryks leven en werk, dan blijkt dat zijn strijd zich vooral afspeelde op drie
fronten: tegen het extreem nationalisme, ook in eigen kring, tegen obscurantisme, of dit nu
katholiek of marxistisch van karakter was. Masaryk was zijn gehele leven zeer geinteresseerd in
de ontwikkeling van het Russische volk en de Russische cultuur, zoals ook blijkt uit zijn
magistrale werk "Russland und Europa", maar volgens hem was het Russische geestesleven
te veel bevangen in een absolutistisch denken, vroeger tot uitdrukking komend in autocratie en
orthodoxie, nu in het bolsjewisme.
Op grond van zijn opvattingen over maatschappij en autocratie verwierp Masaryk reeds vroeg het
panslavisme, dat alle heil van Rusland verwachtte. Overigens was Masaryk in het begin van deze
eeuw één van de weinigen, die begreep dat de verhouding van Rusland tot Europa van beslissende
betekenis zou worden voor het oude werelddeel. Masaryk verruimde de blik van de Tsjechische
intelligentsia door te wijzen niet alleen op de erflaters der Tsjechische cultuur, maar ook
op de betekenis van Westerse (Franse en Angelsaksische) geestesstromingen en denkers. Hij hield
zijn landgenoten voor zich niet door fantasieën te laten meeslepen: "Wij moeten het
tegenwoordige leven en zijn werkelijke eisen leren kennen en toegerust met deze kennis, die
natuurlijk uit het verleden moet worden aangevuld, de toekomst dapper ingaan". De roeping
van de Tsjechische natie was volgens hem de democratische en humanitaire idealen te verwezenlijken.
De mens dient opgevoed te worden tot een vrije persoonlijkheid, die zich bewust verantwoordlijk
weet voor zijn eigen daden en niet gedreven wordt door angst en haat. Daarom hechtte Masaryk grote
waarde aan het woord uit de eerste Brief van Johannes (4 : 18): "Er is in de liefde geen vrees,
maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met de straf en wie
vreest is niet volmaakt in de liefde". Overigens toonde hij weinig waardering te hebben voor
bepaalde nieuwe filosofieën. Hij verwierp Bergson en Freud ("Het onderbewuste bestaat niet")
en voelde zich meer verwant met de kritisch-rationalistische denkers als Hume, Kant, Augustus Comte
en John Stuart Mill. Deze voorkeur kwam ook tot uiting in zijn afkeer van irrationalistische
"Schwärmerei", mythisch en autoritair denken, zoals zich openbaart in politieke stromingen,
die een beroep doen op de instincten, angsten en agressieve neigingen van de massa. Dit betekent
niet, dat hij geen oog had voor de grote rol van het gevoelsleven in het denken en handelen van
de mens. Opmerkelijk is, dat de literaire voorkeur van deze "rationalist" uitging naar
schrijvers uit de Romantiek, zoals Poesjkin, De Musset en Byron. Maar hij had een afkeer van het
pathetische gebaar en hield van humor, de grootste vijand van iedere dictatuur. Het gevaar van het
bolsjewisme en de dreiging van het extreme nationalisme, o.a. in Duitsland, zag de "president-
bevrijder" scherper dan wie ook. Intern werd zijn land bedreigd door het groeiend verzet van de
Duitse minderheid, de tegenstellingen tussen Tsjechen en Slowaken, waarvan de laatsten meenden,
dat zijn niet voldoende autonoom waren. De economische wereldcrisis had ook voor Tsjechoslowakije
ernstige gevolgen en de regering slaagde er niet in het sociale vraagstuk tot een bevredigende
oplossing te brengen. In verband met de opkomst van het nationaal-socialisme in de jaren dertig,
dat aansprakelijk is voor de vernietiging van de Tsjechoslowaakse Republiek, moet nog bewezen
worden op Mararyks werk "De wereldrevolutie". Hierin tekent de president de eerste
wereldoorlog als een strijd tussen Westerse democratie en de Duitse autocratie. De ideeën van
het Westen waren de erfenis van de Renaissance en de Reformatie. Deze ideeën werden verwerkelijkt
in de Engelse, Amerikaanse en Franse revoluties die de eerte stap waren tot de vorming van moderne
democratieën Tegenover deze gedachtenwereld staat die van het middeleeuwse theocratische en
autocratische "Heilige Römische Reich Deutscher Nation" gebaseerd op de uitwendige
autoriteit van geloof en monarchie. Het nationaal-socialisme, waarvan Masaryk de theocratie,
ditmaal gebaseerd op het geloof aan de superioriteit van het Germaanse ras. Met de opkomst van
de Pruisische staat, ontwikkelde zich een Duitse staatsidee, die niet alleen de staat
vergoddelijkte, maar bovendien sterke agressieve neigingen vertoonde. De invloed van Renaissance
en Reformatie bleef in Duitsland beperkt. Cesaropapisme en imperialisme bleken hier een betere
voedingsbodem te vinden dan de humanistische idealen van Lessing, Goethe en Kant.
Tegenover autocratie en cesaropapisme, tegenover de leer van het superieure ras stelde Masaryk
in zijn werk "De wereldrevolutie" de democratische gedachte: "Geen staat, geen
maatschappij kan worden geleid zonder de algemene erkenning van de ethische bases van de staat
en van de politiek; geen staat kan lang standhouden, wanneer hij de algemene regels van de
menselijke moraliteit schendt. De autoriteit van de staat en van zijn wetten is ontleend aan
de algemene erkenning van ethische principes en van een algemene overeenkomst tussen de burgers
inzake hoofdpostulaten van filosofie en leven. Nogmaals: Democratie is niet alleen een vorm van
staat en bestuur. He is een levensfilosofie en een wereldbeschouwing. De Grieken en Romeinen
verklaarden dat het recht het fundament van de staten moet zijn; en recht is de rekenkunde van
de liefde. De wet, geschreven en ongeschreven, maakt het de staat mogelijk langzamerhand de
geboden van de liefde uit te breiden tot alle praktische betrekkingen van het maatschappelijk leven
en, in geval van nood, nakoming hiervan af te dwingen ... In de praktijk benadert de staat het
ethische maximum - het ideaal - door het ethische minimum - de wet - en de menselijke evolutie
brengt het minimum steeds dichter tot het ideaal".
Gelukkig heeft de president het volledige echec van de met zoveel hoop en verwachting gestichte
Volkenbond niet meer beleefd. In 1935 trad hij af en twee jaar late overleed hij, betreurd door
zijn volk en door vele vrienden buiten Tsjechoslowakije.
Ondanks het feit, dat zijn leven gevuld was met
strijd en zorg, kon men Masaryk een gelukkig mens
noemen: "Durch Leiden Freude" ze Beethoven
terecht. In een gesprek met de bekende schrijver
Čapek merkte de president eens op:
"Wanneer ik moet zeggen, waarin mijn leven zijn
vervulling heeft gevonden, dan is dit niet, dat ik
president geworden ben en deze even grote als zware
plicht kan dragen. Mijn persoonlijke voldoening,
wanneer ik dit zo zeggen mag, ligt dieper: dat ik
ook als staatshoofd niets wezenlijks van datgene heb
laten vallen, waaraan ik als arme student, als
leraar der jeugd, als lastig criticus en
hervormingsgezind politicus geloofd en liefhad; dat
ik, aan de macht gekomen, geen andere zedelijke wet,
geen andere betrekking tot de naaste, tot de natie
en tot de wereld gevonden heb als die, waardoor ik
mij vroeger heb laten leiden. Ik mag zeggen, dat
zich alles, waaraan ik geloofd heb, bevestigd en
vervuld heeft, zodat ik noch aan mijn geloof in de
humaniteit en de democratie, noch aan het hoogste
zedelijke en religieuze gebod der mensenliefde iets
hoefde te veranderen. Ik zeg uit een ervaring, die
ik in mijn positie steeds weer bevestigd vind, dat
er voor staten en naties en haar regeerders geen
andere moraal is, geen andere ethische orde bestaat
dan voor he individu. Daaruit spreekt niet de
persoonlijke bevrediging, dat ik tijdens mijn gehele
zo wonderlijk en gecompliceerd verlopen leven
mijzelf gebleven ben; belangrijker is, dat de
menselijke en algemene idealen, die ik beleed, in
zoveel beproevingen onveranderd gebleven zijn en
stand hebben gehouden".
Over zijn religieuze opvattingen zei hij tot Čapek onder meer: "Voor mij is Jezus
de religieuze leider en leermeester. Jezus was geen theoloog, maar een profeet, de grootste der
profeten ... De godsdienst van Jezus uit zich in zedelijkheid en menselijkheid, is humanisme sub
specie aeternitatis ... In werkelijkheid is de wereld en het leven voor ons een geheim. Hoeveel
daarvan kennen en weten wij feitelijk? De mens heeft een natuurlijke neiging tot het mysterieuze;
de wereld is voor de mens en de mens voor zichzelf een mysterie. Is het onooglijke veldbloempje
niet een geheim? Kijk er maar eens naar, vanwaar zijn schoonheid, zijn doelmatigheid, vanwaar komt
het eigenlijk? ... De mensen, die in hun allernaaste omgeving opgaan, vermogen niet de grootsheid
van alle dingen te zien; ieder onooglijk ding, het meest alledaagse gebeuren is iets geheimzinnigs
en iets groots!". Bij een vergelijking van deze religieuze gedachten met die van Albert
Schweitzer is het niet moeilijk vele overeenkomsten aan te tonen. Met heel zijn wezen verzette
Masaryk zich tegn iedere vorm van autoriteitsgeloof. De afkondiging van het dogma van de
pauselijke onfeilbaarheid in 1870 deed hem besluiten de katholieke kerk te verlaten. Hoewel hij
onder de invloed van zijn vrouw tot het protestantisme overging, bleef hij kritisch staan tegenover
alle dogmata, ook die van de reformatie. Het geloof in een geopenbaarde waarheid verwierp hij.
De mens moet volgens hem zelf een levensovertuiging verwerven. Eerst hetgeen men zelf verworven
heeft, krijgt waarde. Onvoorwaardelijk geloofde Masaryk echter in een persoonlijk God en in de
onsterfelijkheid van de ziel, welke overtuiging hij redelijk trachtte te funderen.
Tegenover dogmatisering op geestelijk gebied en
tegenover de irrationele mythen van het geweld, het
ras en "de leider" stelde Masaryk deze
twee kernachtig, voor hem typerende, uitspraken:
"Godsdienst is verantwoordelijkheid" en
"Jezus, niet Caesar". Hij was een
religieus mens, een ethische humanist en tevens de
opvoeder van zijn volk, dat hij opriep tot morele,
sociale en nationale vernieuwing. Zijn naam kan in
één adem genoemd worden met de grote Tsjechische
pedagoog Comenius. De enige met wie hij misschien te
vergelijken zou zijn was Amerika's tolerante
president Abraham Lincoln. Reeds lang vóór hij
president was geworden, had Masaryk verklaard:
"Het humaniteitsideaal eist, dat wij
systematisch, overal en in alles altijd het slechte,
de niet-humaniteit van anderen en onszelf in de
maatschappij en in haar culturele, kerkelijke,
politieke en nationale organen bestrijden.
Humaniteit is niet sentimentaliteit, maar betekent
werken en nogmaals werken ... Niet met geweld, doch
vreedzaam, niet met het zwaard, maar met de ploeg,
niet met het bloed, doch met de arbeid, niet met de
dood, maar met het leven - dat is het antwoord ....
van onze geschiedenis en de nalatenschap van grote
voorouders". |