|
|
|
In de periode na de val van Napoleon en de Oostenrijkse restauratie
onder Metternich was de Tsjechische taal verbonden in het ambtelijk
verkeer, in het onderwijs en de rechtspraak. Ondanks de culturele en
politieke onvrijheid beleefde Bohemen een opmerkelijke opbloei van het
volkslied en de poëzie met als hoogtepunt het optreden van de dichter
Karel Hynek Mácha, schrijver van het indrukwekkende poëem "Máj". De
Tsjechische wedergeboorte, die door Comenius gehoopt en voorspeld was,
werd sterk be¨invloedt en gestimuleerd door de ideeënwereld van de Duitser
Johann Gottfried Herder (1744-1803). Deze had verkondigd dat de taal "de
ziel der natie" is. De studie van de Tsjechische taal, liederen en
volkslyriek kreeg een sterk nationaal accent. Josef Kajetán Tyl schreef de
tekst van het lied "Kde domov můj" (Waar is mijn vaderland), dat in 1918
de nationale hymne van de jonge Tsjechoslowaakse republiek zou worden. Een
nieuwe tijd met nieuwe mogelijkheden voor de Tsjechische natie scheen aan
te breken. Een belangrijke rol hierin speelde de historicus František
Palacký (1798-1876) aan wie een indrukwekkend monument in brons en steen
op het Praagse Palackého náměstí is gewijd. Aan hem herinnert ook het
Palacký Museum, eens het woonhuis van de historicus, die men wel "de vader
der natie" heeft genoemd. De universiteit van Olomouc draagt zijn naam.
Geboren in Hodslavice in Moravië, groeide Palacký op in een protestants
gezin in Pressburg (Bratislava) . In 1823 na zijn gymnasiumtijd vertrok
hij naar Praag, waar hij werd benoemd tot archivaris van Graaf Sternberg.
In de salons van de Boheemse adel maakte de jonge historicus kennis met
vooraanstaande intellectuelen, die streefden naar een vernieuwing van het
culturele en politieke leven. Hij richtte het tijdschrift van het
Nationaal Museum (Národní muzeum) op en bewoog zich in kringen van
schrijvers, dichters en wetenschappers als Dobrovksý en Jungmann.
Een huwelijk met een ontwikkelde en gefortuneerde patriciërsdochter
maakte hem financieel onafhankelijk waardoor hij zich geheel kon wijden
aan studie en publikaties. Tenslotte werd Palacký door de Boheemse standen
benoemd toto geschiedschrijver van het koninkrijk Bohemen.
|
|
|
Geschiedenis van Bohemen
In 1836 begon Palacký met de publicatie
van zijn magnum opus "Geschichte van Böhmen", eerst in het Duits(!), later
in het Tsjechisch verschenen onder de titel "Dějiny národu českého v
Čechách a na Moravě". Eerst na veertig jaar, kort vóór zijn dood, sloot
Palacký het werk af, dat eindigt met het jaar 1526, waarin de Habsburgers
de Boheemse troon bestijgen. Het was in die jaren een zeer opmerkelijke
prestatie, ook omdat Palacký op kritische zorgvuldige wijze gebruik maakte
van historische, diplomatieke, topografische en andere bronnen. Toch wordt
dit werk gedragen door een bepaalde grondidee, die later ook kritiek heeft
ontmoet. Het was de idee, die uitgaat van de strijd tussen de Tsjechische
democratische hussieten en de feodale, autoritaire Duitsers. Deze idee
hangt nauw samen met het streven naar een nationale Tsjechische
wedergeboorte, waarbij de "oerslaven" en in het bijzonder ook de Tsjechen
geidealiseerd worden als democratische, vredelievende volken.
|
|
|
Het Slavencongres
In 1848 trad Palacký naar voren als voorzitter
van het Praagse Slavencongres. Dit congres had ten doel de samenwerking
tussen de Slavische volken in en buiten de Donaumonarchie te versterken.
Er werd aan deelgenomen door Russen (Bakoenin!), Tsjechen, Slowaken,
Polen, Slovenen, Kroaten, Serviërs en Roethenen. Karl Marx sloeg de plank
volledig mis toen hij in de "New York Daily Tribune" van 24 april 1852 nog
meende te moeten opmerken, dat het Praagse Slavencongres het bewijs was
van "die vergeblischen Anstrengungen des sterbenden Tschechische
Volkes(!), um seine frühere lebensfähigkeit wiederzugewinnen" (Karl Marx
was zoals ook uit deze zinsnede blijkt geen vriend van de Tsjechen en
andere Slaven!). Op dit congres eiste men gelijkstelling van Duits en
Tsjechisch in het ambtlijk verkeer, opheffing van de censuur en agrarische
hervormingen om de toestand van de boeren te verbeteren. In feite vroeg
Palacký om de transformatie van de Dubbelmonarchie in een bond van
gelijkwaardige volken. Had men in Wenen toen aan deze gerechtvaardigde eis
toegegeven, misschien was de Oostenrijk-Hongaarse "Vielvölkerstaat" dan
wel behouden gebleven! Maar de conservatieve Oostenrijkse keizer en zijn
bureaucraten beslisten anders. Het Slavencongres betekende tegen de
bedoeling van Palacký de vonk in het politieke kruitvat. Op 12 juni 1848
brak in Praag een opstand van studenten en delen van het proletariaat uit
tegen de Habsburgse monarchie, welke door de Oostenrijkse vorst
Windischgrätz op bloedige wijze werd onderdrukt. Palacký vond deze
revolutie onverstandig en politiek schadelijk en bleef pleiten voor een
federalistische hervorming van de Donaumonarchie, die de verschillende
volken meer autonomie zou geven. Het door Rusland geinspireerde
panslavisme, o.m. verdedigd door de Slowaak Jan Kollár, wees Palacký
nadrukkelijk af. De utopische panslavistische dromen verdroegen zich
slecht met het Tsjechische sceptisme maar ook waren Tsjechen als Palacký
geen vrienden van de Russische autocratie. Zijn reis naar Rusland in 1867
met zijn schoonzoon Dr. Rieger sterkte hem slechts in deze overtuiging.
Ook Masaryk heeft later het panslavisme afgewezen. Een hervormde
Oostenrijk-Hongaarse Donaumonarchie zou volgens Palacký een tegenwicht
kunnen vormen tegen een te sterk en expansionistisch Rusland.
Palacký was, zoals gezegd, ervan overtuigd, dat de Tsjechen en in het
algemeen de Slaven een democratische en vredelievende samenleving
nastreefden, dit in tegenstelling tot de oorlogszuchtige Duitsers. Hij
knoopte als protestant aan bij de hussitische tradities. Uiteraard hing
deze geidealiseerde voorstelling van de Slavische volken in het algemeen
en de Tsjechen in het bijzonder samen met de altijd aanwezige
tegenstelling tussen Tsjechen en Duitsers in Bohemen. Afgezien van deze
historische onhoudbare opvattingen is het optreden van Palacký voor de
Tsjechen van grote betekenis geweest. Hierbij moet nog opgemerkt worden,
dat de Slowaken in Palacký's historische conceptie nooit een rol van
betekenis hebben gespeeld ook al streefde hij naar meer contacten tussen
de Tsjechen en de sinds het jaar 908 onder het Hongaarse juk zuchtende
Slowaken. Masaryk werd sterk beinvloedt door Palacký en verwijst vaak naar
diens publikaties. In 1912 schreef Masaryk zijn "Palackého idea národu
českého" (De idee van Palacký over het Tsjechische volk). Deze idee wordt
ten dele bepaald door de gedachtewereld van Hus en de hussieten. Deze ziet
Masaryk als een typische uitdrukking van het Tsjechische nationale
karakter dat geen gewetensdwang duldt. De Tsjechische Broedergemeente was
ook volgens hem de belichaming van de oude Tsjechische democratische
idealen, zoals zij ook omschreven zijn door de laatste bisschop van deze
gemeente Comenius.
|
|
|
Austroslavisme
Politiek bleef Palacký een aanhanger van het zgn.
"austroslavisme", een conceptie, die Oostenrijk wilde versterken door de
loyaliteit van de daar wonende Slaven met als doel de vorming van een
bolwerk tegen de Duitse en Russische dreiging. Toch werd Palacký door
slechte ervaringen met de Weense bureaucratie steeds sceptischer ten
aanzien van het door hem in "Die österreichische Staatsidee" (1865) nog
beleden austroslavisme. Later wees hij ook op de mogelijkheid van een
Boheemse staat los van de Oostenrijk-Hongaarse Dubbelmonarchie: "Wir waren
vor Österreich da, wir werden es auch nach ihm sein ..." In zijn politiek
testament moest Palacký erkennen: "Ich selber gebe jetzt leider schon die
Hoffnung auf dauernde Erhaltung Österreichs auf ..."
Palacký heeft als historicus en politicus een belangrijke bijdrage
geleverd tot de wedergeboorte van de Tsjechische cultuur. Maar ook als
literatuur-historicus heeft hij grote verdienste gehad o.m. door zijn met
Šafa ík geschreven "Počátkové českého básnictví, obzvláště prozódie" (Het
begin van de Tsjechische dichtkunst in het bijzonder de prosodie). De taal
is volgens Palacký een essentieel element in de nationale renaissance.
Masaryk schreef later: "Het streven van Dobrovský, Kollár, Palacký en
Havlíček moet het streven van ons allen zijn". Wat houdt volgens Masaryk
dit streven in?: "het humaniteitsideaal uitdragen is de gehele inhoud van
ons nationale bestaan".
|
|
|
Het Palacký Museum
Het Palacký Museum is gelegen aan de Palackého
ulice, nr. 7 in de Nové Město en wordt beheerd door het Národní Muzeum.
Het heeft het uiterlijk van een klein barokpaleisje en is gebouwd in de
tweede helft van de veertiende eeuw en daarna verscheidene malen verbouwd.
Gedurende enkele eeuwen was het huis in het bezit van Tsjechische families
als ernín en Špork en later van een bewoner van katholiek-Ierse afkomst,
die het gehele huis liet herbouwen door de Italiaanse architect Ignac Jan
Nepomuk Palliardi (1737-1821). Na zijn huwelijk met de zestienjarige
Terezia Měchura, dochter van de componist Leopold Měchura, betrok Palacký
het huis dat hij zijn leven lang zou blijven bewonen. Ook Palacký's
schoonzoon en medewerker dr. F.L. Rieger, één van de leiders van de
Oud-Tsjechische Partij, trok bij Palacký in. Boven het portaal bevindt
zich een buste van Palacký vervaardigd door de bekende beeldhouwer J.V.
Myslbek.
Vele meubels en schilderijen (o.m. van de bekende schilder Mánes)
herinneren aan de vroegere bewoners. De studeerkamer van dr. Rieger is
sedert zijn dood onveranderd gebleven. Het Palacký Museum is te
bezichtigen na een verzoek, in te dienen bij het "Národní muzeum,
Historické muzeum, oddělení starších českých dějin", Václavské náměstí 68,
Nové město, Praag.
|
|
|
Palacký heeft, zoals gezegd, grote invloed uitgeoefend op de
Tsjechische politieke en culturele renaissance maar ook op Tsjechische
historici en schrijvers in het bijzonder Thomas Masaryk. Ik noem hier ook
Alois Jirásek (1851-1930). In zijn romans gaat hij uit van Palacký¨s
historische conceptie en tekent hij de hussieten als een volksbeweging die
haar democratische idealen poogt de verwezenlijken in haar strijd tegen de
Habsburgers, tegen nationale, religieuze en sociale slavernij. In zijn
werk staan nationale figuren als Jan Hus en Jan Žižka centraal. De
waardering voor het werk van Jirásek blijkt uit het feit, dat aan hem een
apart museum werd gewijd in het kasteel Letohrádek Hvězda, op de Witte
Berg, een stervormig renaissancekasteeltje. Ook is dit museum gewijd aan
de schilder Mikoláš Aleš (1852-1913), die evenals Jirásek met zijn oeuvre
het nationale bewustzijn van het Tsjechische volk wilde versterken. |
|
|
|